8. Relatie met het zorgprestatiemodel

Momenteel wordt met veldpartijen gewerkt aan een nieuwe bekostiging van de ggz en fz, het zogenaamde zorgprestatiemodel. Een aantal elementen die benoemd worden in het ‘advies zorgprestatiemodel ggz en fz’ komen terug in de experimenten die in ontwikkeling zijn/reeds gestart zijn door ggz-aanbieders. Als ggz-aanbieder is het ‘slimmer registreren van de indirecte tijd’ een mooie voorbereiding op de invoering van het zorgprestatiemodel. Het zorgprestatiemodel wordt –naar verwachting- in 2022 ingevoerd.

 

De overeenkomsten tussen het zorgprestatiemodel en het gebruik van indirecte normtijden:

  1. Focus op het vastleggen van de geleverde zorgprestatie (consulten): In het zorgprestatiemodel ligt de focus op het registreren van de zorgprestatie en dus op de besteding aan directe tijd. De focus op directe tijd, is ook zichtbaar bij het toepassen van een experiment met normtijden. De behandelaar kan middels het experiment dus bewust gemaakt worden van de focus op de registratie van directe tijd. Tevens geeft het de zorgaanbieder zicht op een mogelijk registratie-effect wat op kan treden bij de invoering van het zorgprestatiemodel.
  2. Normeren van indirecte tijd: De manier waarop indirecte tijd wordt geschreven in de dbc-systematiek kan tot ongewenst of strategisch gebruik leiden. Indirecte tijd is immers niet genormeerd. In het zorgprestatiemodel worden de mogelijkheden tot strategisch gebruik beperkt door indirecte tijd te normeren op basis van reële gemiddelden, zoals dus ook voorgesteld in het experiment. In het zorgprestatiemodel wordt alle algemene indirecte tijd (activiteiten met 7-codes) opgeslagen op de directe tijd van consulten. Ook als er geen algemene indirecte activiteiten uitgevoerd wordt zit deze opslag in het consult. De minuten voor algemene indirecte tijd in het kader van juridische procedures, MDO en zorgcoördinatie worden ook verdeeld binnen de voorgestelde bandbreedtes van elk van de activiteiten.
  3. Onderscheid BIG-beroepen: Binnen de consultstructuur wordt een onderscheid gemaakt naar BIG-beroepen en niet BIG-beroepen. Er is dus een differentiatie per BIG-beroep vastgesteld. Deze differentiatie wordt afgeleid uit het kostprijsonderzoek. Zodra er meer inzicht is in deze percentages kunnen deze ook toepgast worden bij de uitvoering van een experiment.
  4. Onderscheid naar setting: Ook de setting heeft impact op de hoogte van de opslag. In een klinische setting wordt er bijvoorbeeld meer indirecte tijd besteed dan in een ambulante setting. In de voorbeelden uit de praktijk wordt dit onderscheid ook al gehanteerd.
  5. Beperkt aantal (consult)codes selecteerbaar: Behandeling wordt ondergebracht in een structuur, waarbij er slechts een beperkt aantal consulten selecteerbaar is. Zoals al eerder in de voorbeelden genoemd, is het zinvol om een vereenvoudiging aan te brengen in het aantal zorgactiviteiten.

Bij het toepassen van normtijden in een experiment zijn dus verschillende raakvlakken te vinden met het nieuwe zorgprestatiemodel. Het is een mooie kans om middels een experiment de organisatie voor te bereiden op het zorgprestatiemodel.

 

Voor meer informatie over het nieuwe zorgprestatiemodel kunt u terecht op: www.zorgprestatiemodel.nl